Waar te beginnen? Laat ik nou eens niet uitvoerig over mijn
ongeluk schrijven, deprimerend en niet-piloten begrijpen dan al helemaal niet
waarom ik nog vlieg. Eerst maar een relaas van een mooi vluchtje van afgelopen
maand.
Er zijn al wat parapents in de lucht maar erg goed omhoog
gaan ze niet. Toch start ik, want langer wachten zou betekenen dat de wind mogelijk
naar west draait en ik helemaal niet meer de berg af kom. Chabre zuid betekent
dat je een paar slagen kan draaien en als het dan niks wordt, dan moet je
besluiten om naar het noodlandingsterrein (de Vis, vanwege de vorm) te vliegen
want dat ligt hoog en ver weg en er is geen alternatief. Up or out zogezegd, en
te laat opgeven betekent een crash. Ik ben al een beetje opgeschoven richting
de Vis, wel over het riggeltje waar het vaak wat loskomt, en ik besluit er nog
één rondje aan te wagen en dan te gaan landen. Dat rondje levert net genoeg
piepjes op om nul meter te verliezen, dus ik draai toch nog een rondje. En nog
één. Ik win een paar centimeter. M’n tong steekt uit m’n mond, ik hijg van de
inspanning, met m’n blik op oneindig concentreer ik me op de piepjes van m’n
vario en m’n bochtenwerk. Ik stijg. Héél langzaam en ik kan er nog ieder moment
uitzakken, maar ik heb nu even net die paar meter extra die me de gelegenheid
bieden om de betere kern op te zoeken. Die vind ik en ik draai door, nu iets
sneller. Opeens draai ik boven de riggel en kan ik in de diepte van de
noordkant kijken. Ik zou wel willen ontspannen en ademhalen maar sta het mezelf
nog niet toe. Eerst veiligheid. Ik durf geen hoera te denken want dat zou wel
eens tot concentratieverlies kunnen leiden, eerst nog even hard werken. Het gaat
goed, ik stijg door zonder momenten waarin ik weer iets verlies, en vanaf
enkele tientallen meters boven de berg durf ik eindelijk te ontspannen en adem
te halen. Mond dicht, slok water lurken, even wiebelen in m’n harnas zodat ik
wat comfortabeler kom te liggen, rits verder dicht. En door. Dit is het genot,
de kick, van vliegen op de Chabre! Als het niet moeilijk was zou het ook weinig
het gevoel dat je iets voor elkaar hebt gekregen zijn (if it ain’t challenging it
isn’t an achievement). Eénmaal ontspannen kan ik genieten van het schitterende
uitzicht, van het heerlijke gevoel van vliegen, van het plezier van een
supergoeie vleugel.
Maar goed ik ging dus parapenten, tegen mijn eigen dringende
advies in. Ik wilde graag de extra optie om ook te vliegen waar en wanneer het
niet met een delta kan. Om hike & fly te doen. Om me minder zorgen te maken
over de toekomst, als ik misschien te oud en te krakkemikkig word om nog langer
met delta’s te zeulen. Maar ik was me wel heel erg bewust van de forse risico’s,
ook al zijn de vleugels en de instructie de afgelopen jaren enorm verbeterd. Ik
had me dus voorgenomen om heel uitvoerig les te nemen, om de allersimpelste
vleugel te kopen en om nooit in turbulente omstandigheden te gaan vliegen.
M’n zelfvertrouwen was in orde dankzij de prachtige vlucht
& landing van donderdag. Vrijdag was er mistral voorspeld, dus we zouden
naar Orcieres gaan om bij de Ecrins te vliegen. Meer dan twee uur rijden dus
achterlijk vroeg op, zes uur in het busje, half negen eerste start. Dat ging
best en m’n landing was in orde. Toen iedereen beneden was besloten Loic en
Romain dat we nog net tijd hadden voor een allerlaatste tweede vlucht, voordat
het termisch zou worden. We haastten ons een beetje maar ik maakte me niet
druk. Het landingsterrein was keilang, misschien wat smal maar geen enkele
reden om zenuwachtig van te worden. Tijdens m’n vlucht moest ik wat
driezestigjes draaien, linksom, rechtsom, ging allemaal goed zij het wat traag.
Ik ben nou eenmaal voorzichtig en langzaam, dus mijn bochten worden altijd
nogal wijd.
Loic liet me zelf m’n circuit kiezen en merkte op dat ik het
helemaal goed deed, maar m’n laatste bocht om op final te draaien kwam ik net
slecht uit op het smalste deel van het veld en ik draaide onvoldoende door. Ik
zag het dijkje met rotsblokken en bomen op me af komen en maakte een bruuske
stuurbeweging, waardoor ik begon te pendelen. Op dat moment sloeg de paniek toe
en was ik in totale verwarring over wat ik zou moeten doen om het scherm weer
rustig te krijgen, en nog voordat Loic met aanwijzingen tot me door kon dringen
pletterde ik in een snelle pendelbeweging met gestrekte benen vanaf zo’n drie meter
hoogte op de grond. Au au roepen natuurlijk en als ik me zo voel weet ik het
eigenlijk al – dit was nu de zevende of achtste keer dat ik toch echt ernstiger
schade opliep dan een blauwe plek. Ik keek naar m’n knie waar het pijn deed
maar zag gelukkig geen botten in rare hoeken uitsteken, dat was alvast een
opluchting. Ook m’n rug deed het nog. Aangesnelde helpers waren vooral onder de
indruk van m’n bebloede gezicht maar dat bleek uiteindelijk een klein wondje op
m’n neus van m’n zonnebril.
Pompiers brachten me naar het veel te bekende ziekenhuis in
Gap, en een complete dag en avond later werd ik naar een eigen kamer gebracht.
Tibia plateau fracturen, helemaal niet goed, maar alles wel op z’n plek dus ik
hoef geen operatie. Zaterdag had ik een bijzonder nare dag, van de morfine werd
ik kotsmisselijk en zonder morfine was de pijn toch te erg. Maar zondag kon ik
al zelf met een looprekje naar de plee schuifelen, en maandagochtend werd ik
door een Nederlandse ambulance opgehaald en in een gezellige luxerit van veertien
uur thuis afgeleverd. Lang leve de Univé reisverzekering! Zoals elke keer werd
ik fantastisch opgevangen door de buren. Zonder hen zou ik niet naar huis
hebben kunnen komen, ik had trouwens geeneens m’n eigen voordeursleutel. Ze
voorzagen me van de nodigde ontbijtwaren en ik bleek een nacht op m’n eentje in
m’n eigen bed heel redelijk te doorstaan. De volgende dag stond Brett voor me
klaar om boodschappen te doen en te koken, en vanmorgen kreeg ik thuiszorg.
Femke en Bryndis kwamen uit Breda om de hele middag te buffelen en mij op mijn
talloze wenken te bedienen, terwijl ik als de koningin van Sheba gestrekt op de
bank m’n verlangens kenbaar maakte. Ze waren nog niet weg of de hulpmiddelen
werden gebracht – buuv was me voor en stond het bed al op te maken nog voordat
ik er om had kunnen vragen. Straks komt Ruud koken, morgen m’n moeder. Ik heb
gewoon niks te klagen.