Terwijl ik me gisteren een weg richting MteCucco klunsde
bedacht ik leuke teksten over m’n pech en dommigheid, maar inmiddels ben ik het
eigenlijk allemaal vergeten. Hoe je met een katertje door de Gotthard bijna in
slaap wordt gehypnotiseerd door 17 kilometer strepen. Hoe het Italiaanse
verkeer toch echt anders, drukker en sneller is dan de rest van Europa. Hoe ik
na een middagdutje in de schaduw bijna vloeibaar was geworden van de hitte. Hoe
ik het voor elkaar kreeg om die éne servicepomp te kiezen nadat ik twee uur in
een gruwelijke file naast een varkenstruck had gestaan, waar ik ondanks dat ik
zelf tankte toch een kwartje per liter extra moest betalen. Hoe m’n tomtom er
helemaal niks van snapt hier in Italië en me voortdurend het bos in probeert te
sturen. Hoe ik zat te eikelen voordat ik besloot om naar een camping te gaan,
gewoon omdat ik éénmaal in m’n auto in een soort robot verander en pas kan
stoppen als ik m’n bestemming heb bereikt. En natuurlijk koos ik voor een
gruwelijke caravancamping aan de kust onder Rimini, vol met luide Italianen en
barbecuerook en zonder een meter gras. Maar ik sliep wel meteen en ik had
gelukkig bij aankomst al (heel veel) betaald zodat ik kort na zevenen al weg
kon. Eerst een koffie en om half tien liep ik al over de camping, waar
overigens geen delta te bekennen was. Meteen door naar het hostel dus, waar
Alessandro me begroette alsof ik een verdwenen vriendin was, leuk. Gordon was
er en terwijl we zaten te kletsen kwamen er meer aan, inmiddels is Sigillo vol
Britten. Op de start stond een veel te harde wind dus de hele meute vervoegde
zich in de uitspanning even verderop. Na een paar uur bijkletsen probeerden we
het opnieuw maar afgezien van de locals had niemand er trek in. Met Gary, Tony
en Andy eindigde mijn dag aan het zwembad van Albarosa en in Villa Anita, waar
sowieso iedereen altijd eindigt. M’n schouder voelt goed dus hopelijk is de
meteo morgen wat aangenamer.
23 juni 2017
22 juni 2017
Blabla
Ik ben natuurlijk harstikke gek dat ik helemaal naar Italië
rij en weer terug voor hooguit drie of vier vluchtjes, als het meezit, terwijl
het in Nederland helemaal fantastisch is. De langste dag van het jaar,
goddelijk weer, iedere dag zwemmen (wat veel beter is voor m’n schouder dan
vliegen), ontspannen werken. Maar ik laat de kans op een paar vluchten toch
niet lopen en sinds mijn tussenstop bij Swiss Nic gisteravond is het het
sowieso al waard. De moeite dus, pfoe dat was het wel. Eerst wachten op een
verlossend telefoontje van Kwikfit, die mij geduldig uitlegden dat m’n band helemaal
niet langzaam leegloopt maar dat elke keer dat je de spanning meet er
een-tiende bar uitloopt. Toen wachten op mijn lifter, die een domme (“ze zijn
allemaal corrupt hoor, geloof mij maar”) saaie (de Feyenoordwinst was een
hoogtepunt) en verwende (wereldreizen op kosten van pa) puber bleek zonder
rijbewijs. Veel wachten in de verschillende files in België en Frankrijk, met
een tomtom die me over de kleinste weggetjes via Mulhouse stuurde en
parkeerplaatstemperaturen boven de 37 graden zodat ik m’n gekoelde slee weer in
moest vluchten als ik Zwitserland nog wilde halen. Maar stipt om negen uur
stond ik wel bij Nic voor de deur. Uiteraard had hij heerlijk gekookt – op Lon
na is hij de beste kok in m’n vriendenkring. En ik zag meteen dat het nog veel
beter met hem gaat dan anderhalf jaar geleden in Australië. Hij is minder ‘enkelvoudig’
dan toen en onze verhouding met plagen, kletsen, bespreken is weer terug. Toch
is er wel iets veranderd ten opzichte van vóór zijn ongeluk en gek genoeg is
het nu makkelijker om echt goed te praten. Het heeft iets te maken met zijn
gebrek aan sociale filters of remmingen, en mijn leeftijd. Dat van die leeftijd
dat had ik natuurlijk vooral door dankzij de twintigjarige flapdrol van ’s
middags. We zijn het nog steeds over veel dingen niet eens maar we zitten
elkaar niet meer voortdurend in de haren. En zijn ‘lineariteit’ maakt ook dat
er weinig verborgen blijft zodat het makkelijk is om naast z’n grote behulpzaamheid,
waar hij altijd om bekend was, ook z’n wijsheid te zien.
02 juni 2017
Mentaliteitskwesties
Eén van de raarste dingen in mijn vliegcarrière is de manier
waarop ik elke keer iets ongelooflijk debiels doe, precies op het moment dat ik
denk dat ik er eindelijk ben kwa landingstechniek. In Slovenië crashte ik na
twee jaar totale focus op het landen, in de landing die bedoeld was om de
periode af te sluiten. Condities waren perfect en ik voerde de landing mooi
uit, kwam knoerdhard en laag liggend in grondeffect en liet toen kennelijk m’n
blik naar de grond gaan waardoor ik ineens in de grond hapte en bijna over de
kop knalde. Toen ik een paar jaar later weer zelfvertrouwen terug had en twee
lastige, turbulente landingen op Doussard uitstekend had uitgevoerd en net weer
begon te denken dat ik de focus op landingen achter me zou kunnen laten,
scheurde ik m’n knieband. De condities waren perfect en het veld was leeg en ik
had mezelf hardop verteld dat ik me moest concentreren omdat het te gemakkelijk
was. Op final, nog maar tien of twintig meter boven de grond, kreeg ik een
soort brainfart en stuurde ik ineens naar het naastgelegen veldje waardoor ik
scheef op m’n voeten kwam en door m’n knie klapte. Afgelopen december in
Lanzarote voelde ik me de koningin – met de Spyder en goeie wind landde ik keer
op keer uitstekend. Tot ik in een nulwindlanding downhill alle tijd had om nog
een bochtje te draaien of m’n drogue te gooien en in plaats daarvan helemaal
niks deed, pas uitduwde toen ik al tegen een rots aan pletterde.
Het is dus duidelijk dat er iets in mijn hoofd mis gaat op
het moment dat het eigenlijk juist goed gaat. Alsof een deel van mij vindt dat
ik het niet goed màg doen. Het past kennelijk niet in m’n zelfbeeld en dat
negatieve stemmetje van ‘denk maar niet dat je zelfvertrouwen kan hebben’ wint
het van jarenlang ploeteren en focus en mezelf wijsmaken dat ik er ben.
Het stomme is dat ik het eigenlijk ook al jarenlang weet,
dat het zo werkt. En opnieuw, net als lang geleden toen ik nog veel last had
van uitzakangst, is dat besef niet genoeg om te weten hoe ik me er overheen
moet zetten. Dus doet mijn lijf het voor me: ik heb hier al zoveel dagen op m’n
eentje op de camping gezeten omdat ik een pols in het gips had, op krukken
rondstrompelde of nu mijn arm niet uit kan strekken zonder au te roepen. De
eerste keer, toen we hier het mooiste NK ever hadden en ik als startofficier
iedereen van de berg af stuurde, was traumatisch. Vaak hoopte ik stiekem dat
het slecht weer zou zijn zodat ik geen mooie dagen moest missen. Heel slecht
van me dus dat vertel je nooit, maar het was de enige troost. Deze week is voor
mij voor het eerst dat ik er redelijk tegen kan dat ik niet kan vliegen terwijl
de rest de berg op rijdt voor een prachtige dag. Ik geniet van de mooie
vluchten van de jongens, ik leer van hun briefings, ik vind het gezellig om
weer eens met Ropje op vakantie te zijn en ik verveel me geen moment met m’n
stapel boeken en m’n hangmat. Maar wat vooral helpt is het besef dat ik
waarschijnlijk nooit het niveau zal bereiken waar ik altijd naar heb gestreefd,
en meer nog het inzicht dat een vlucht meer of minder nauwelijks uitmaakt.
Natuurlijk is wel oefenen beter dan niet oefenen. Maar daar zit ‘m de kneep:
mijn vluchten waren altijd om te oefenen en er van genieten was een soort
bij-effect. Dat ben ik aan het omdraaien, ook dankzij de cursisten die dezelfde
vergissing maken en zichzelf daarmee hopeloos in de weg zitten. Door het bij
anderen te zien en te herkennen, en in
gedachten te bedenken wat ik tegen ze zou willen zeggen, instrueer ik eigenlijk
mezelf. Zin is goed, ongeduld niet. Analyseren wat er gebeurde is goed, excuses
zoeken niet. Bedenken waar je heen wil is goed, iets niet doen werkt niet.
En steeds de diepzinnige orakels van mijn grote heldin Pipi
Langkous in gedachten houden, waar Ropje me aan herinnerde: “ik heb het nog
nooit gedaan dus ik denk dat ik het wel kan.”
Abonneren op:
Posts (Atom)