10 januari 2020

Langzaam herstel



Australiërs zijn heerlijk relaxed, maken altijd en overal een babbeltje, en zorgen voor elkaar. De club in Newcastle is echt een community. Mensen zoeken elkaar op in het ziekenhuis, blijven elkaar bellen tot jaren nadat iemand gestopt is met vliegen, drinken wekelijks een biertje met elkaar en bieden aan om te rijden, te tillen, te helpen. Als ik met een gebroken arm in een Haags ziekenhuis had gelegen denk ik niet dat ik ook maar één piloot gezien zou hebben.
Wel collega’s, vrienden. Marcel liet me vanochtend weten dat hij me op Schiphol op zal halen. Praktisch zou ik het wel redden op mijn eentje, met een taxi of de buren zouden me opnieuw uit de brand helpen. Maar emotioneel is het heel erg fijn dat er nog iemand voor me klaar staat. Zoals Ad na m’n fietsongeluk, of Yves toen ik m’n knieband gescheurd had. Het maakt heel veel goed.
Vanmorgen nam de zoveelste aardige dokter alle tijd om naar de wond te kijken en een brief voor de verzekering te schrijven. Hij kende Conrad natuurlijk en vroeg belangstellend hoe het mogelijk is dat we allemaal blijven vliegen na pijnlijke of ernstige ongelukken. Ik kon hem uitleggen dat we liever gewond raken door het vliegen, dan leven zonder te vliegen. Na zijn onderzoekje en strenge bezwering dat ik echt absoluut niks mag tillen, zocht ik Rob Larkin op die nog elke dag met sprongen vooruit gaat. Zelfs z’n kortetermijngeheugen leek iets beter. Ook Rob is van plan om weer te gaan vliegen, het geeft richting aan de inspanningen voor het herstel. Inspannend is het wel – ik moet nog elke middag even gaan liggen en een paar afleveringen van The Crown kijken. De dokter wil ook niet dat ik nu ineens ga zwemmen. Het mag nat worden, maar echt zwemmen zou de wond weer open kunnen trekken. Snif.

08 januari 2020

Visites




Het lastigste van mijn arm is dat ik heel erg weinig kan dóén. Uiteindelijk is dat de reden dat ik liefst een vlucht eerder naar huis ga, zodat ik weer aan het werk kan. Iedereen vraagt lief hoe lang ik nog blijf en ze willen me allemaal zien en dat is erg leuk, maar ik heb het huishouden nu wel zo’n beetje klaar en de hele dag lezen vind ik steeds moeilijker. Ik kan wel naar Strezzi lopen of op bezoek bij Neva, de keukenkastjes uitmesten of mijn bagage een beetje ordenen, het is gewoon te weinig. Gelukkig kan ik wel autorijden, zij het niet al te lang en liefst zonder bochten, maar ik heb in ieder geval een beetje vrijheid. Fietsen is uitgesloten, zeker hier, en lopen is te zwaar.
Maandagmiddag verschenen Richard en Anthony met drie kinderen, dat was fantastisch. Richard was er een beetje overstuur van dat ik mezelf in de prak heb gevlogen, en de kinderen hebben zomervakantie en het was een mooie gelegenheid voor ze om aan het strand te spelen. Van Conrad mochten ze in het huis logeren en het klikte goed met Selmsy, het was gaaf. In Barraba heerst nu al drie jaar extreme droogte en hitte en er hangt al maanden een dikke laag rook, dus ze konden allemaal frisse lucht en zelfs wat miezerregen gebruiken. Gistermiddag haalde Selmsy zijn dochters ook op en met vijf muppets was het de hele middag spelen met boogieboards en graven in het zand en in de golven springen. Voor hen dan, ik mag nog niet in het water omdat de wond zou kunnen ontsteken. Bij het moederkloekerig aan de rand staan trapte ik natuurlijk ook nog eens op een wesp of een bij of iets anders gemeens, heb ik weer. Het viel mee, geen voorhamer die maar op m’n teen bleef rammen deze keer, pootjebaden beperkte de schade.
Vannacht om half vier haalden we Donnie op, leverden de litesport af (ik heb er precies vijf minuten op gevlogen, ik hoop dat Jorj een beetje coulant met onze afspraak van duizend dollar omgaat), en ruim op tijd waren de heren op het vliegveld voor hun reisje naar Nieuw-Zeeland. Tish the flying fish wordt vijftig en dat vieren ze met een trektocht van een week. Man ik wou dat ik mee kon! Afscheid van Selmsy was niet overdreven moeilijk, ik weet vrij zeker dat ik binnen één of twee jaar weer terugkom. Toch, het is de andere kant van de wereld, altijd weer gek.
Ik belde Vicki wakker om te vragen of ik Bill op mocht zoeken, en het mocht. Ik trof hem op het terras van de koffieshop naast hun huis aan Brontestreet. Looprek, oud, moe, maar hij wist meteen wie ik was en uit zijn opmerkingen maakte ik op dat hij nog altijd scherp is. Het was gezellig met z’n zwemmaten die heel charmant het gesprek voerden zodat Bill niet teveel hoefde te doen, en van z’n dochter kreeg ik ontbijt en na een uurtje liet Bill weten dat hij het tof vond dat ik hem heb opgezocht. Ik ben er ook blij om want deze keer denk ik toch echt weer dat ik hem waarschijnlijk nooit meer zal zien. De godfather van het zeilvliegen en de pater familias van de enorme Moyesfamilie en het onbetwiste hoofd van de wereldwijde hanggliding clan. En een schurk, waardoor hij en ik het altijd erg goed hebben kunnen vinden.
M’n volgende stop was opnieuw bij Max en Jan, de ouders van Cameron, omdat Camo en z’n pa een boot aan het opknappen zijn. Hij zou me net op komen zoeken toen ik het ziekenhuis uitgebonjourd werd, dus nu moest de patient zelf maar op de visite af. Heel erg blij om hem gezond en wel te zien, want hij heeft twee uur lang de brand van zijn huis moeten weren met tuinslangen en door brandende sintels van z’n dak af te gooien. Doodeng en hij is er duidelijk nog erg onder de indruk van. Hij heeft in z’n leven zeker twaalf keer brand heel dichtbij meegemaakt, maar dit was duidelijk één van de heftigste ervaringen ooit. Lyn met de katten en de belangrijkste huisraad weg, en hij daar op dat dak met het vuur op vijftig meter afstand. Jakkes.

06 januari 2020

Australië in brand

Judi's foto van het huis waar ik zou logeren als ik m'n arm niet had gebroken


Naast alles: geluk omdat ik m’n vrienden zie, genieten van mijn tweede thuis, zon op m’n huid, slecht slapen met m’n onhandige arm, niet vliegen terwijl ik middenin vliegluilekkerland zit en het mislopen van Forbes, mijn absolute lievelingsweek van het jaar, naast dat alles voel ik me ook enorm schuldig. Ik vlieg elke keer op en neer met vervuilende vliegtuigen, ik koel af in de airconditioning van de bowles club en ik rij rond in een pooierkar die onnodig veel benzine verbruikt. Ik ben net zo veel medeveroorzaker van de catastrofe die zich hier voltrekt als ieder ander, en het enige wat ik had kunnen doen was thuis blijven. Is thuisblijven. Het beeld van een brandend continent – smerige lucht van de rook, as op het strand, huilende mensen op de radio, wilde dieren die de mensen om hulp lijken te vragen, uitstervende soorten, verwoeste dorpen – drukt me met de neus op de realiteit. Mijn levensstijl, veel van waar ik gelukkig van word, draagt bij aan vernieling en vergiftiging.
Toch wil ik volgend jaar terug komen. Terwijl ik iedereen verschrikkelijk mis en ergens zou wensen dat ze allemaal in Europa zouden wonen, is het juist de afstand die het zo bijzonder maakt. Ik koop wel wat extra bomen bij m’n vliegticket.